Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Accountantstucht. Periodieke preventieve toetsing. Na eerdere toetsing in 2010 die leidde tot het eindoordeel dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, heeft in 2014 opnieuw een toetsing van het kantoor plaatsgevonden. De accountant heeft zich per 1 juli 2012 uit het accountantsregister laten uitschrijven en heeft zich in september 2013 opnieuw laten inschrijven. Het College verwerpt de grief dat de toetsing in november 2014 een reguliere (eerste) toetsing betrof, in plaats van een hertoetsing. De grief dat de Raad voor Toezicht ten onrechte aan de NBA heeft geadviseerd om een klacht tegen de accountant in te dienen, in plaats van de accountant in de gelegenheid te stellen om het kantoor binnen korte termijn opnieuw te laten toetsen, faalt eveneens. Het ware zorgvuldiger geweest als de Raad voor Toezicht in het eindoordeel had gemotiveerd waarom het voorstel van de toetsers voor wat betreft de hertoetsing niet werd gevolgd, maar het gaat naar het oordeel van het College te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat de NBA geen klacht had mogen indienen dan wel de accountantskamer niet tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht had mogen overgaan. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/374

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2017 op het hoger beroep van:

[naam] , voorheen accountant-administratieconsulent, te [plaats] , appellant, tegen de uitspraak van de accountantskamer van 4 april 2016, gegeven op een klacht die is ingediend tegen appellant door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA),

(gemachtigde: mr. M.A.M. Verduijn).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 4 april 2016, met nummer 15/2590 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:27).

De NBA heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Appellant heeft aanvullende stukken ingediend. De NBA heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.

Appellant is verschenen. De NBA heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van G.J.A.H. van der Wielen AA.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 10 november 2010 heeft een periodieke preventieve toetsing plaatsgevonden van de accountantspraktijk van appellant. Het eindoordeel hield in dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. De toenmalige Raad van Toezicht Beroepsuitoefening Accountants-Administratieconsulenten heeft het door appellant ingediende verbeterplan goedgekeurd.

1.3

Appellant heeft zich per 1 juli 2012 uit het accountantsregister laten uitschrijven. Met ingang van 17 september 2013 is appellant opnieuw ingeschreven.

1.4

Bij brief van 13 februari 2014 heeft de Raad voor Toezicht van de NBA appellant meegedeeld dat zijn accountantspraktijk is geselecteerd voor een toetsing in 2014. De toetsing heeft plaatsgevonden op 14 november 2014.

1.5

Op 12 december 2014 hebben de toetsers hun definitieve toetsingsverslag uitgebracht. Appellant heeft geen opmerkingen gemaakt bij de daarin weergegeven bevindingen van de toetsers. De toetsers hebben de Raad voor Toezicht in hun definitieve toetsingsverslag voorgesteld om als eindoordeel te geven dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk van appellant in opzet en werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep. Dit voorstel hebben zij, voor zover thans van belang, als volgt toegelicht: “Uit de dossier[s] blijken diverse tekortkomingen waardoor de toetsers eensluidend tot de conclusie komen dat met name de dossier[s] beslist niet voldoen. We zien echter wel dat er de nodige investeringen gedaan zijn (in o.a. software) en merken aan de houding van de heer [naam] dat hij wel bereid is tenminste het vereiste niveau te bereiken. Het is erg jammer dat dit niet eerder ingezien is. Het raamwerk is nl. aanwezig om bij het juiste gebruik daarvan alsnog tot een voldoende te komen. De toetsers geven de Raad daarom ter overweging om het kantoor op redelijk korte termijn nogmaals te laten toetsen. (…)”

1.6

De Raad voor Toezicht heeft bij brief van 20 februari 2015 aan appellant meegedeeld dat hij zich met het voorstel van de toetsers voor een eindoordeel verenigt. Daarbij heeft de Raad als eindoordeel gegeven dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk van appellant in opzet en werking niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep. Voorts heeft de Raad bij deze brief meegedeeld dat het bestuur van de NBA zal worden geadviseerd om een tuchtklacht tegen appellant in te dienen.

1.7

Het bestuur van de NBA heeft appellant bij brief van 28 mei 2015 meegedeeld dat het advies van de Raad van Toezicht om een tuchtklacht bij de accountantskamer in te dienen, zal worden gevolgd. De klacht is ingediend bij brief van 2 december 2015.

1.8

Met ingang van 1 januari 2017 heeft appellant zich opnieuw uit het accountantsregister laten uitschrijven.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat de accountantspraktijk van appellant ten tijde van de hertoetsing op 14 november 2014 niet beschikte over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daarvoor gestelde normen zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen . Uit de bevindingen van de toetsers is gebleken dat:

a. a) appellant niet heeft voldaan aan de vereisten inzake aanvaarding en continuering van opdrachten;

b) er verschillende tekortkomingen waren in de uitvoering van werkzaamheden;

c) er tekortkomingen waren in de afwerking en rapportering van de getoetste samenstellingsopdrachten.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register als bedoeld in artikel 2, onder e, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) opgelegd, met bepaling van de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op 12 maanden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellant heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen de gegrondverklaring van de klacht en de opgelegde maatregel. Ter zitting heeft hij twee grieven ingetrokken. Gehandhaafd zijn de volgende grieven: I) de toetsing op 14 november 2014 betrof geen hertoetsing, maar een reguliere (eerste) toetsing, en II) de accountantskamer heeft miskend dat de Raad voor Toezicht ten onrechte, in tegenstelling tot zijn beleid, heeft geadviseerd om een tuchtklacht in te dienen terwijl door de toetsers de verwachting is gewekt dat er korte tijd na de toetsing van 14 november 2014 nogmaals een toetsing zou plaatsvinden.

4. Ten aanzien van de eerste grief is het College van oordeel dat uit de gang van zaken, noch uit de correspondentie van de NBA volgt dat sprake zou zijn van een reguliere (eerste) toetsing in plaats van een hertoetsing. Appellant heeft niet betwist dat op 10 november 2010 reeds een reguliere toetsing heeft plaatsgevonden, noch dat hij ervan op de hoogte was dat na goedkeuring van het door hem ingediende verbeterplan op een gegeven moment een hertoetsing zou plaatsvinden. Appellant heeft ook niet betwist dat hij zich heeft laten uitschrijven om zijn kantoor op orde te krijgen en dat daarbij een rol speelde dat deze door de NBA voorgenomen hertoetsing volgens hem op een te vroeg moment zou plaatsvinden. Anders dan appellant kennelijk meent, heeft de periode van ruim een jaar dat hij uitgeschreven is geweest niet tot gevolg dat aan de toetsing in november 2010 geen betekenis meer toekomt, in de zin dat een toetsing die daarna plaatsvindt weer als een reguliere (eerste) toetsing geldt. De NBA heeft een en ander ook duidelijk gecommuniceerd aan appellant: bij e-mail van 4 juni 2014 is aangegeven dat de geplande toetsing een hertoetsing betrof en ook in de brief van 13 juni 2014 is aangegeven dat appellant is ingedeeld in “hertoetsing Categorie I”. De omstandigheid dat bij aanvang van de toets, zoals appellant heeft aangevoerd, mogelijk bij de toetsers onduidelijkheid bestond over de vraag of het om een reguliere (eerste) toetsing dan wel een hertoetsing ging doet er niet aan af dat het voor appellant duidelijk was, dan wel had moeten zijn, dat de geplande toetsing een hertoetsing betrof. Bij de aanbieding van het concept-toetsingsverslag aan appellant bij e-mail van 28 november 2014, met onderwerp-aanduiding “Hertoetsing d.d. 14 november 2014”, hebben de toetsers aangegeven dat het verslag een hertoetsing betrof. Appellant heeft geen opmerkingen bij dat verslag gemaakt.

5. Appellant heeft bij brief van 12 januari 2017 het College verzocht om de toetsers als getuigen te horen. Daarmee wenst appellant kennelijk aan te tonen dat geen sprake was van een hertoetsing, maar van een toetsing. Voorts wenst appellant daarmee te onderstrepen dat de toetsers hebben voorgesteld om op korte termijn een hertoetsing te laten plaatsvinden, zodat een doorhaling volgens appellant niet aan de orde was.

Zoals hiervoor reeds is overwogen doet de eventuele op 14 november 2014 bij de toetsers bestaande onduidelijkheid of het die dag om een reguliere toetsing zou gaan dan wel een hertoetsing, niet af aan het (juridische) oordeel van het College dat het een hertoetsing betrof en dat dit voor appellant ook duidelijk was dan wel had moeten zijn. Voorts is niet in geschil dat de toetsers, zoals in 1.5 reeds is geciteerd, de Raad voor Toezicht hebben voorgesteld om het kantoor van appellant op korte termijn nogmaals te laten toetsen. Dit leidt het College tot de conclusie dat het horen van de door appellant voorgestelde getuigen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, aangezien de feiten waarover zij kunnen verklaren, voor zover relevant, niet in geschil zijn en dus geen bewijs meer behoeven. Om die reden wordt van het horen van die getuigen afgezien.

6. Ten aanzien van de tweede grief heeft appellant aangevoerd dat de Raad voor Toezicht ten onrechte aan het bestuur van de NBA heeft geadviseerd om een klacht tegen hem in te dienen. Daarbij heeft hij verwezen naar een op 29 april 2016 gepubliceerde notitie van de Raad voor Toezicht over het beleid ten aanzien van het bieden van een herstelmogelijkheid door de toetsers binnen drie maanden na een toetsing. Volgens de betreffende notitie was het in april 2016 reeds bestaande praktijk dat de toetsers bij daarvoor in aanmerking komende gevallen een eindoordeel van de toetsing konden aanhouden, opdat bij een aanvullende toetsing wellicht alsnog tot een voldoende resultaat kon worden gekomen. In de notitie is beschreven dat ook in het kader van een hertoetsing – bij een voorlopig onvoldoende resultaat – het eindoordeel kon worden aangehouden, waarbij de te herstellen tekortkomingen binnen drie maanden in een aanvullende toetsing zouden worden getoetst. Appellant heeft erop gewezen dat volgens die notitie de gang naar de tuchtrechter het laatste redmiddel behoort te zijn, waarbij in beginsel sprake moet zijn van één van de volgende situaties: a) de accountant weigert mee te werken aan de toetsing; b) de accountant weigert een verbeterplan in te dienen; c) de accountant heeft bij de eerste toetsing de zaken zo slecht op orde dat de toetsers tot een advies C oordeel komen (voldoet niet) en de accountant onprofessioneel en klachtwaardig heeft gehandeld en ook maatschappelijk bezien een gang naar de tuchtrechter geboden is, eventueel met het verzoek om een voorlopige voorziening; d) de accountant heeft blijkens de bevindingen bij hertoetsing en het door de Raad geaccordeerde verbeterplan geen of onvoldoende opvolging gegeven aan dit verbeterplan waarbij de indruk is ontstaan dat de accountant niet wil dan wel traineert. Appellant is van mening dat deze situaties niet op hem van toepassing zijn en dat hem een tweede kans geboden had moeten worden. Bij een nieuwe toetsing op korte termijn zouden de zaken zeker op orde zijn geweest, aldus appellant.

Appellant heeft ter zitting voorts aangevoerd dat de NBA, gegeven de hiervoor vermelde omstandigheden, geen klacht tegen hem had mogen indienen. De toetsers hebben volgens appellant de verwachting gewekt dat er op korte termijn nogmaals een toetsing zou plaatsvinden.

7. De NBA heeft erop gewezen dat de toetsers weliswaar de Raad voor Toezicht in overweging hebben gegeven om het kantoor op korte termijn nogmaals te laten toetsen, maar dat zij ook eensluidend tot de conclusie zijn gekomen dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van het kantoor niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet vanwege tekortkomingen in de aanvaarding en continuering van opdrachten, de uitvoering van werkzaamheden en de afwerking en rapportering. Het gaat daarbij, aldus de NBA, om structurele tekortkomingen die deels ook al tijdens de toetsing in 2010 zijn geconstateerd. De NBA is voorts van mening dat terecht de gang naar de tuchtrechter is gemaakt, aangezien appellant na goedkeuring van het in 2011 opgestelde verbeterplan, daaraan onvoldoende opvolging heeft gegeven. Desgevraagd heeft de NBA aangegeven dat het advies van de toetsers om appellant in de gelegenheid te stellen zijn kantoor binnen korte termijn nogmaals te laten toetsen, wel in overweging is genomen, maar niet is gevolgd omdat de NBA van mening is dat appellant, gegeven de eerdere toetsing in 2010 en het daarop gevolgde verbeterplan, reeds voldoende tijd was gegund om aan de kwaliteitseisen te voldoen.

8. Het betoog van appellant dat de NBA geen klacht tegen hem had mogen indienen, dan wel dat de accountantskamer niet tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht had mogen overgaan, faalt. Anders dan appellant kennelijk meent was de Raad voor Toezicht niet gehouden om het advies van de toetsers op te volgen om zijn kantoor nogmaals te laten toetsen. Evenmin is sprake van strijd met het beleid dat op 29 april 2016 werd gepubliceerd en, naar de NBA niet heeft betwist, ook al in 2014 werd gehanteerd. De NBA heeft zich immers, gelet op de uitkomst van de hertoetsing, terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende opvolging heeft gegeven aan het verbeterplan uit 2011. Het ware zorgvuldiger geweest als de Raad voor Toezicht in het eindoordeel had gemotiveerd waarom het voorstel van de toetsers voor wat betreft de aanvullende toetsing niet werd gevolgd, maar het gaat naar het oordeel van het College te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat de NBA in het onderhavige geval geen klacht tegen appellant had mogen indienen dan wel de accountantskamer niet tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht had mogen overgaan. Daarbij acht het College voorts van belang dat tijdens de hertoetsing op 14 november 2014 in alle onderzochte dossiers ernstige tekortkomingen zijn geconstateerd, zoals het onvoldoende onderbouwen van diverse posten of het hanteren van onjuiste afschrijvingsgrondslagen. Appellant heeft deze tekortkomingen, die hebben geresulteerd in een C-beoordeling (voldoet niet), niet betwist.

9. Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 8 is overwogen, acht het College de door de accountantskamer opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving van appellant in het register met bepaling van een termijn van 12 maanden waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden.

10. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

11. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.M. Bancken


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature