Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Wet personenvervoer 2000;

Taxxxivergunning Amsterdam: Appellant was met ingang van 4 januari 2016 niet aangesloten bij een TTO, en voldeed daardoor niet (langer) aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 3 van de Taxiverordening. Uit artikel 2.17 aanhef en tweede lid van de Taxiverordening volgt dat verweerder niet alleen bevoegd was de Taxxxivergunning van appellant in te trekken, maar ook was gehouden om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/665

14914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2017 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M. Kintou),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Somer).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de taxxxivergunning van appellant ingetrokken.

Bij besluit van 9 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van het College verwezen naar een enkelvoudige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.1

Appellant is werkzaam als taxichauffeur. Hij was aangesloten bij een door de

gemeente Amsterdam Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) en beschikte over een door verweerder verleende taxivergunning als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening), voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).

1.2

Op 12 december 2015 heeft een toezichthouder van de gemeente Amsterdam, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (toezichthouder) gezien dat appellant met zijn taxi bij de taxistandplaats aan de Utrechtsestraat stilstond, terwijl de taxibuffer van de pop-up taxistandplaats waar maximaal vijf taxi’s zijn toegestaan, vol was. Hij zag dat appellant met zijn taxi aldaar stilstond als zesde voertuig, waardoor voertuigen die vanaf de Utrechtsestraat kwamen aanrijden via het trottoir de Herengracht opreden. Bovendien voerde de taxi van appellant geen daklicht. De toezichthouder heeft daarvan op 21 december 2015 een rapport van bevindingen (RVB) op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend. De geconstateerde overtreding is door de toezichthouder aangemerkt als ‘hinder omgeving standplaats’. Bij e-mail van 29 december 2015 heeft verweerder de TTO van appellant geinformeerd dat dit de derde keer was binnen één jaar dat appellant een overtreding voor dezelfde feitcode heeft begaan en de TTO verzocht aan appellant een maatregel volgens het maatregelenprotocol van de TTO op te leggen, dan wel schriftelijk te motiveren indien de TTO conform haar maatregelenprotocol geen maatregel wil opleggen.

1.3

De TTO van appellant heeft per 4 januari 2016 de aansluitingsovereenkomst met appellant opgezegd en verweerder hierover geinformeerd.

1.4

Met het primaire besluit heeft verweerder de Taxxxivergunning van appellant ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat hij niet voldoet aan de voor die vergunning geldende voorwaarde dat hij is aangesloten bij een TTO. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.1

Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat verweerder iedere rechtsgang voor hem blokkeert en daarmee in strijd handelt met de wet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens appellant heeft verweerder de facto de TTO verplicht om aan hem een maatregel op te leggen op grond van een door een toezichthouder van verweerder opgemaakt RVB. Appellant meent dat het RVB een besluit is, waartegen rechtsbescherming open staat. Verweerder heeft zijn Taxxxivergunning niet mogen intrekken zonder eerst de juistheid van de beslissing van de TTO tot beëindiging van de aansluitingsovereenkomst met appellant te toetsen en zonder zelf te beoordelen of de overtreding van 12 december 2015 heeft plaatsgevonden. Appellant ontkent dat hij hinder op de standplaats heeft veroorzaakt. Het in stand laten van de intrekking van de taxxxivergunning heeft zeer ernstige financiële consequenties voor appellant.

2.2

Verweerder is van mening dat hij op grond van artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening en gelet op het feit dat appellant niet was aangesloten bij een TTO, was gehouden de Taxxxivergunning van appellant in te trekken. Nu het een zogenaamde gebonden beschikking betreft, betekent dit volgens verweerder dat hij geen belangenafweging maakt of de beëindiging van de aansluitingsovereenkomst met de TTO wel of niet rechtmatig is. Indien appellant van mening is dat de aansluitingsovereenkomst ten onrechte is beëindigd, dient appellant zijn TTO hierop aan te spreken. Verweerder wijst er verder op dat appellant zich op grond van de aansluitingsovereenkomst met de TTO bij een geschil kan wenden tot de geschillencommissie van de TTO of dit als civielrechtelijk geschil kan voorleggen aan de rechtbank Amsterdam.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

De wet- en regelgeving luidt ten tijde van belang.

“Wet personenvervoer 2000

Artikel 8 2

1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

(..)

Taxiverordening Amsterdam 2012

Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning

1. Het is een chauffeur verboden om zonder geldige vergunning van het college (Taxxxivergunning) op de in bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.

(..)

Artikel 2.12 Toelatingseisen chauffeur

1. Voor een Taxxxivergunning: (..)

e. is de chauffeur aangesloten bij een TTO welke in het bezit is van een geldige TTO-vergunning; (..)

Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking Taxxxivergunning (..)

2. Een Taxxxivergunning wordt ingetrokken indien: (..)

d. de aansluiting van vergunninghouder bij de TTO is beëindigd;”

(..)

3.2

Tussen partijen is niet in geding en ook voor het College staat vast dat appellant met ingang van 4 januari 2014 niet was aangesloten bij een TTO, en dat hij daardoor niet (langer) voldeed aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Taxiverordening. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:304), volgt uit artikel 2.17, tweede lid en onder d, van de Taxiverordening dat verweerder niet alleen bevoegd was de Taxxxivergunning van appellant in te trekken, maar ook was gehouden om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.3

Gelet op voormeld regelgevend kader volgt het College verweerder in zijn standpunt dat hij geen onderzoek hoefde te doen naar de feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest tot het beëindigen door de TTO van de aansluitingsovereenkomst met appellant en dat er geen ruimte was voor een belangenafweging. Wat appellant over de feiten en omstandigheden en de door hem gewenste belangenafweging heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.4

Appellant heeft ter zitting verklaard dat het hem bekend is dat hij een geschil met de TTO kan voorleggen aan de rechtbank Amsterdam maar dat hij dat om financiële redenen niet heeft gedaan.

3.5

Het beroep van appellant op het EVRM, leest het College als een beroep op artikel 13 van dat verdrag, welke bepaling het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel garandeert. Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat hij recht heeft op rechtsbescherming tegen een onjuist opgemaakt RVB en dat deze rechtsbescherming niet bestaat. Het College volgt appellant niet in dit standpunt. Appellant had zich immers, zoals hem, naar ter zitting is gebleken, bekend is, kunnen wenden tot de rechtbank Amsterdam, waar hij argumenten had kunnen aanvoeren of bewijs had kunnen leveren ter ondersteuning van zijn standpunt dat het RVB een onjuiste constatering bevat. Voor zover appellant heeft bepleit dat de civiele rechter op voorhand en zonder meer uitgaat van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt RVB, bestaat daarvoor geen grond.

3.6

De conclusie is dat het beroep niet slaagt en ongegrond zal worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter in aanwezigheid van mr. S.M.M. Bolt-Hulsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. S.M.M. Bolt-Hulsen


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature